
“Hij loopt er goed onder”.. dan past het toch?
Misschien is dat juist het probleem
“Hij loopt er toch goed onder?”
Ik hoor ’m zó vaak. En eerlijk: ik snap ’m ook. Want als je paard braaf loopt, geen gedoe geeft en gewoon doet wat je vraagt, voelt dat als een soort bevestiging. Alsof het zadel dus wel goed zit.
Alleen… zo simpel is het niet.
Paarden zijn namelijk bizar goed in aanpassen. Niet een beetje, maar echt extreem goed. En dat is geen toeval. Dat zit er gewoon nog in. Ongemak laten zien is niet handig als je een prooidier bent, dus ook onder het zadel kiezen veel paarden er niet voor om te protesteren. Ze gaan het oplossen.
En dat oplossen ziet er vaak gewoon prima uit.
Geen bokken, geen staken, geen drama. Gewoon een paard dat loopt. Misschien zelfs “lekker” loopt. Maar ondertussen gebeurt er van alles onder de oppervlakte. Het lichaam gaat schuiven, compenseren, taken herverdelen. Spieren nemen werk over dat eigenlijk niet van hen is. Beweging wordt nét wat minder vrij, maar niet genoeg om meteen op te vallen.
En precies daar gaat het mis.
Want wij zijn geneigd om te denken: het gaat goed, dus het ís goed. Terwijl een paard heel lang kan functioneren op aanpassing. Op wilskracht, op souplesse, op spierkracht. Totdat dat op een gegeven moment niet meer genoeg is.
Dan krijg je ineens gedoe. Verzet, scheefheid, “gedragsproblemen”, soms zelfs blessures. En dan lijkt het alsof het uit het niets komt. Maar meestal is dat gewoon het punt waarop het paard het niet meer kan oplossen.
Geen probleem of toch wel?
Wat daarvoor zat, betekende niet dat er “geen probleem” was. Het was een paard dat zich aanpaste aan een niet goed passend zadel.
En dat is precies waarom een professionele zadelpasser "hij loopt er goed onder" een beetje anders bekijkt. Niet omdat het per se onzin is, maar omdat het zo’n gevaarlijke geruststelling is. Het haalt je uit de gewoonte kritisch te kijken, terwijl je daar juist zou moeten blijven.
Comfort of compensatie?
Want een paard dat echt comfortabel is, hoeft niet te compenseren. Dat zie je. In hoe het beweegt, hoe het zich ontwikkelt, hoe het blijft presteren over tijd zonder dat er steeds kleine dingen insluipen.
Dus in plaats van alleen te kijken of een paard “loopt”, moet een zadelpasser liever kijken naar wat er allemaal nodig is om dat lopen voor elkaar te krijgen.
En precies daar begint het echte zadelpassen.
Niet bij het oplossen van problemen als ze er eenmaal zijn, maar bij het herkennen van compensatie voordat het een probleem wordt. Niet afgaan op “het lijkt wel goed”, maar durven zien wat er onder het oppervlak gebeurt.
En precies daar begint het echte zadelpassen. Niet bij het oplossen van problemen als ze er eenmaal zijn, maar bij het herkennen van compensatie voordat het een probleem wordt. Niet afgaan op “het lijkt wel goed”, maar durven zien wat er onder het oppervlak gebeurt.
Met een goed passend zadel hoeft een paard minder te compenseren. Dat zie je terug in hoe het beweegt en in alles wat daarna makkelijker wordt. Want een zadel dat écht past, hoef je niet te managen, te corrigeren of goed te praten.
Marion Roelofs
Wellicht ook interessant :

